Monthly Archives: October 2010

Goddeau review by Guy Peters

Adam Lane’s Full Throttle Orchestra – Ashcan Rantings (CF 203)
2010 is aardig op weg om een freejazzjaar te worden dat in het teken staat van de middelgrote bezettingen. Angles deed het als sextet (en klonk als een big band), Eisenstadt deed het al met een nonet op Woodblock Prints en ook Lane’s vers samengestelde Full Throttle Orchestra laat zich nu kennen als een negenkoppig monster dat erin slaagt om een waanzinnig hoog niveau aan te houden.

Ashcan Rantings is een dubbelcd. Dat is vaak een goeie indicatie van overmoed of overdaad, maar de consistentie van deze schijfjes, samen goed voor een kleine honderd minuten muziek, is ronduit indrukwekkend. Van het orkest waarmee Lane No(w) Music (2001) of New Magical Kingdom (2006) opnam is intussen niemand meer overgebleven, maar de band die hij hier heeft ingeschakeld is wel van een heel bijzonder kaliber. Er werken niet minder dan zeven blazers aan mee, stuk voor stuk jonge talenten die bijna allemaal gerekend worden tot de grootste virtuozen op hun instrument: saxofonisten David Bindman, Avram Fever en Matt Bauder, trompettisten Nate Wooley en Taylor Ho Bynum en trombonisten Reut Regev en Tim Vaughn. Verder zijn er dan nog Lane op bas en Igal Foni (meneer Regev) op drums.

Lane laat in de aanstekelijke liner notes al een en ander los over zijn aanpak, die uiterst virtuoos de grens tussen compositie en improvisatie bewandelt, een grens die weinig bands zo boeiend weten te houden. Daarbij wordt doorgaans een beginstatement gemaakt, waarnaar vaker wordt teruggegrepen, ook op het einde. Daartussen zitten ritmische en/of melodische cellen, die gebaseerd zijn op die thema’s, en waarop de solisten hun ding kunnen doen. Ze kunnen inkleuren, maar ook bijsturen en zo de hele band een andere richting laten inslaan. Klinkt allemaal erg abstract en theoretisch, maar daar valt niets van te merken: Aschcan Rantings is een album dat vooral opvalt door zijn coherente sound en stijl, door zijn eenheid en niet te stuiten flow.

Alles wordt meteen duidelijk vanaf “Imaginary Portrait”, dat van start gaat met een statige aanzet met en knap arrangement dat haast van Eisenstadt had kunnen komen. Opvallend ook wat een enorme klankkleur er in deze bezetting schuilt en hoe zorgvuldig die geluiden op mekaar gestapeld worden. Dat spelen met en variëren op kloeke ’thema’s is ook iets dat we al bij Angles hoorden, maar hier gebeurt het allemaal iets verfijnder en gedoseerder. Er wordt misschien net iets minder geteerd op het buikgevoel en de blote emotie van de Scandinaven, maar ook hierin zit er soul, groove, voel je de blues, de swing, de humor en de joie de vivre. Dit is levende muziek die voortholt met een grijns, zowel in de collectieve stukken als tijdens de solomomenten, die er in overvloed zijn van alle betrokkenen.

Regev laat meteen horen hoe ze er in slaagt om een notoir moeilijk en stug instrument als de trombone toch te doen dansen. Daartoe krijgt ze ook de kans in het erop volgende “Marshall”, meteen een van de hoogtepunten van de plaat. Het begint allemaal erg melancholisch, triest zelfs, met slepend klarinetwerk van Fever, maar dan komt dat kernthema en ga je pas compleet voor de bijl door die filmische meeslependheid, die spanning opdrijvende baslijn van Lane, die Ellington in slow motion. Muziek uit een imaginaire film noir: verleidelijk, donker en sexy. Bindman steekt er een mooie solo in, maar het is Regev die met de pluimen mag gaan lopen als het contrast tussen haar solo en het slinks teruggekeerde thema zorgt voor een ondraaglijke spanning. Machtig mooie muziek levert het op.

En eigenlijk kan je àlle songs afgaan, van het trompetduel in “Desperate Incantantions”, tot de forse aftrap van “House Of Elegant” (ook al te horen op het album uit 2001) — al de songs hier hebben hun momenten. De eerste twee nummers van CD2 (de titeltrack en “Lucia”) waren al eerder te horen op het 4 Corners album (met o.a. Ken Vandermark), maar worden hier gepresenteerd in nog sterkere versies met grotere dynamiek. Mooi om te zien dat er heel coherente statements volgen en dat er toch eentje is die afwijkt van de regels: zijn negen songs tussen 8 en 12 minuten lang, dan haalt “Mahler”, het enige stuk zonder solo’s, niet eens de helft. En afsluiten wordt dan weer gedaan met “Bright Star Calypso”, een song met een verrassend hoge popfactor die zonder schaamte kiest voor melodische pracht en in al z’n aandoenlijkheid haast doet denken aan het werk van Bill Wells met Mahar Shalal Hash Baz.

Hoewel het duidelijk een andere en meer verfijnde plaat is dan Epileptical West van Angles, valt toch op dat je een vergelijkbaar evenwicht tussen traditie en avontuur, tussen souplesse en kracht, tussen klasse en emotie krijgt voorgeschoteld. Ashcan Rantings laat horen dat Lane een uitstekend componist is, eentje die zich bovendien heeft omringd met een enorm getalenteerd zootje, dat van dit dubbelalbum een meeslepende reis gemaakt heeft waar de spelvreugde voelbaar vanaf spat. Eentje om in te lijsten.
http://www.goddeau.com/content/view/8292

All About Jazz Italy review by Enrico Bettinello

Louis Sclavis, Craig Taborn, Tom Rainey – Eldorado Trio (CF 193)
Valutazione: 4 stelle
Bello trovare un musicista di grande talento come Louis Sclavis alle prese con partner come Taborn e Rainey: non che il clarinettista sia artista poco coraggioso, intendiamoci [nella sua carriera ha anzi affrontato i contesti più vari], ma certamente le prove a proprio nome rispondono a logiche espressive ben definite, nelle quali lo spazio per elementi realmente spiazzanti è piuttosto ridotto.

C’è spazio poi per brani più danzanti come “Up Down Up” – introdotto da una bella improvvisazione al clarinetto basso – e per momenti lirici come “La Visite,” per l’eccellente gioco timbrico di “Summer Worlds” e per le inquietudini di “Lucioles,” per chiudere con il serrato girotondo ritmico di “Possibilities” e le sensuali movenze della title-track.

Tre artisti di livello assoluto non deludono in questo incontro: Rainey si conferma batterista dalla creatività inesausta, così come Taborn risolve con dinamiche sempre varie il non facile ruolo armonico/timbrico/ritmico che gli è demandato, permettendo così a Sclavis di prendersi quei rischi che il naturale camerismo a volte gli fa evitare.

Un trio che si spera possa continuare la propria esplorazione, l’Eldorado è un regno che non delude.
http://italia.allaboutjazz.com/php/article.php?id=5779

Le Son du Grisli review by Luc Bouquet

Bernardo Sassetti Trio – Motion (CF 177)Presque toujours un arpège de piano. Quelque chose d’un impressionnisme à peine voilé. Comme la quête d’une image sans tremblements ni sursauts. Chez Bernardo Sassetti, Carlos Barretto et Alexandre Frazão, le traitement est cinématographique : de longs plans-séquences insistants ; tableaux vivants, étirés et réitérés jusqu’à leur propre épuisement. On pourrait dire : un trio à l’errance cadrée s’il n’était quelques sorties de routes ; une métrique empruntée ici (MW 104.5 Bicubic), des courbes brisées ailleurs (Bird & Beyond). Compositeur pour le théâtre et le cinéma, Bernardo Sassetti évite les écueils (joliesse, douceur) du style appréhendé (ici la ballade jazz) au profit d’une obsession, certes entretenue, mais toujours, à la limite de l’invisibilité. Une réussite, je crois.
http://grisli.canalblog.com/

Free Jazz review by Stef Gissels

Stephan Crump & James Carney – Echo Run Pry (CF 199) ****
Last year pianist James Carney released an excellent modern jazz CD, “Ways And Means”, yet what he does here on this album with bassist Stephan Crump is of a totally different nature. Gone are the compositions and the arrangements, gone is the solid ground under their feet, gone are the planification and the known endpoints.

On two pieces of a little more than twenty minutes, the two musicians explore the sounds of their instruments with lots of extended techniques, slowly, patiently, yet full of the excitement of the mutual discovery, sometimes building in rhythmic moments like little dance movements, spontaneously, then switching back to normal walking, doing the more serious stuff. That’s the kind of freshness and joy that you find here.

Yet within the same piece, they will also delve into other emotions: Crump’s arco on the second half of the first piece will bring tears to your eyes, while the piano adds the very sparse keys to accentuate the desolation and loneliness, evolving into more romantic yet equally expressive piano playing.

The second piece is even more minimalist and quiet, it is intimate, very “European” in approach, abstract yet lyrical, gradually picking up a sense of urgency and tension, utterly refined, and with a kind of universal aesthetic that will appeal to all true lovers of music, including more traditional jazz fans and afficionados of classical music. But then it might also be that I have lost all sense of reality.

In any case : grand in its intimate power.
http://freejazz-stef.blogspot.com/

Gapplegate Music review by Grego Edwards

Julian Argüelles Trio – Gorund Rush (CF 191)
If you want to show your improvising abilities and sound to the maximum the pianoless trio of horn, bass and drums is one of the most fertile vehicles to do so. That’s what tenor saxman Julian Arguelles has done on his new CD Ground Rush (Clean Feed 191). It’s not just any trio partners he’s gathered together though. It’s Michael Formanek on acoustic bass and Tom Rainey on drums, both leaders in their own right and some sensitive and formidable ensemble voices.

They run through seven Arguelles originals and one number by the entire band. This is loose and driving postbop with nice vehicles to improvise with. Arguelles’ tenor has its own trajectory. He doesn’t sound like anybody much, though the conceptual approach has something in common with Ornette Coleman (and since Ornette’s influence has been enormous, that can be said of many), but not the sound. Julian is very fluid and poised.

Michael Formanek digs in for this session and makes syzygy-like connections with his fellow bandmates. He is in indispensable part of the proceedings and sounds great at all times. Tom Rainey plays drums in ways that play up an accompanying role in the best sense. He’s there in creative ways whether it is a free-form phrase or a swinging quietude, or not-so-quiet too.

All told, the three give out with a very good performance indeed. It should make them proud. The music impresses me, OK? For the less bombastic side of contemporary jazz with no signs of anemia, you would do well to hear this one.
http://gapplegateguitar.blogspot.com/

Time Out Lisboa review by José Carlos Fernandes

Hugo Carvalhais – Nebulosa (CF 201) ****
O jazz português anda em ebulição, os músicos atingem a maturidade cada vez mais cedo, a edição segue em ritmo inaudito e as boas surpresas sucedem-se – mas esta é a mais fulgurante estreia de um jazzman português de que tenho memória. Ao trio portuense formado por Carvalhais em contrabaixo, Gabriel Pinto em piano e sintetizador, Mário Costa na bateria, junta-se o convidado Tim Berne, um saxofonista na linha da frente do jazz desde os anos 80 e líder dos grupos Bloodcount, ScienceFriction, Hard Cell ou Big Satan. Que Berne não tenha declinado dar o seu contributo, diz muito sobre o nível do trio. Mas que Berne não monopolize o protagonismo e que o que salte aos ouvidos seja a atmosfera, coesão e dramatismo de cada peça é ainda mais digno de admiração.
Nebulosa é feito de melodias interrompidas, ritmos entrecortados, tempos que se suspendem, crepitações de radiação, distribuídos por dez temas cuidadosamente arquitectados por Carvalhais, mas com amplo espaço para improvisação. “ Nebulosa Part V” é o único trecho em que pulsa um swing “ ortodoxo” , mas o sintetizador de ficção científica deixa claro que não
estamos no Village Vanguard, nem sequer no planeta Terra. “ Impala” podia ser uma balada jazz – mas captada por um radiotelescópio em Andrómeda. “ Nebulosa Part III” começa com piano intimista e deambulante, mas o resto do quarteto entra sem aviso e instala uma tensão tremenda, com Berne a consumir-se em línguas de fogo. O CD termina em trio, num tema feito de éter e
algumas notas rarefeitas.

Time Out Lisboa review by José Carlos Fernandes

Julian Argüelles – Ground Rush (CF 191) ****
É curioso que dois discos recentes de um destacado saxofonista britânico saiam em editoras portuguesas: depois do solo de Inner Voices, na TOAP, é a vez do segundo disco do trio de Argüelles com Michael Formanek (contrabaixo) e Tom Rainey (bateria) aparecer na Clean Feed. Mas Argüelles tem vindo a tocar com músicos lusos e tem antepassados espanhóis, como se percebe pelo nome e pelas animadas “Bulerías” da faixa seis.
Argüelles domina uma hoste de saxofones, clarinetes e flautas, mas aqui concentra-se no sax tenor – e basta ouvir a linha sedosa, sinuosa e perfeitamente controlada que emite em “Fife” para se perceber que se trata de um músico superlativo. Outro tanto pode dizer-se de Formanek e Rainey, que são um selo de garantia em qualquer disco.