Tag Archives: Torbjorn Zetterberg

Lira Magazine review by Leif Carlsson

CF 281Susana Santos Silva & Torbjörn Zetterberg – Almost tomorrow (CF 281)
Trots att musiken är inspelad i januari i Härjedalen och bilderna i fodralet är vintriga, sprider sig den vedeldade stugvärmen till lyssnarna. Ute runt knuten kan vinden vina. Musikerna klingar nyförälskade och konfliktfria gentemot varandra, är nyfikna och vill fördjupa. Det hindrar inte tillfällen med bottenlös svartsyn som i Head dis-tortion machine. Men om denna svartsyn är de ense. Susana Santos Silva, trumpet och flygelhorn, och Torbjörn Zetterberg, kontrabas, faller varandra i talet utan att byta ämne. Men de härmar inte och behåller sina identiteter. Även när instrumen-ten lämnar sina traditionella klanger pulsar de framåt. Det mesta av musiken har skapats av dem båda tillsam-mans i studion. Tio samlade och kärnfulla stycken utan fer-nissa på fyrtiofem minuter. Columbus arriving in Härjedalen är ett komplext lockrop med säregen skönhet av en fiolspel-man med ovanligt stor fiol och en trumpet som blåser in liv. Titelmelodin Almost tomorrow av Zetterberg ligger märkligt nära Ornette Colemans vemodiga Lonely woman. En sorts hommage antar jag, där kvinnan nu är subjekt och luftar sitt frisinne och sin självkänsla med eftertryck, vare sig hon är ensam eller inte.
https://docs.google.com/viewer?a=v&pid=gmail&attid=0.1.3&thid=14137d37e2d6363f&mt=application/pdf&url=https://mail.google.com/mail/u/0/?ui%3D2%26ik%3D2f4a3d8e1f%26view%3Datt%26th%3D14137d37e2d6363f%26attid%3D0.1.3%26disp%3Dsafe%26zw&sig=AHIEtbTOtIXCfFcHlOKhZ7V35v6WrZoucA

Jazz.pt review by Antonio Branco

CF 281Susana Santos Silva / Torbjörn Zetterberg – Almost Tomorrow (CF 281)
****

Uma das características que mais têm contribuído para a relevância global da Clean Feed é a aposta em projetos novos e desafiantes, integrando músicos consagrados e outros ainda em fase de ascensão. De facto, no catálogo do selo lisboeta coabitam registos de formações estabelecidas com outros resultantes de colaborações pouco ou nada expetáveis, até pela distância geográfica (apesar de tendencialmente eliminada pela tecnologia).

Tudo isto decorre de um conhecimento profundo dos músicos – dos seus desejos e da sua abertura a novas experiências – e de uma sensibilidade especial dos seus responsáveis na busca de parcerias criativas.   Esta consistente política editorial deu mais um fruto em “Almost Tomorrow”, disco que junta a trompetista portuense Susana Santos Silva ao contrabaixista Torbjörn Zetterberg. A par do seu trabalho enquanto trompetista da Orquestra Jazz de Matosinhos e com o seu próprio quinteto – mais filiados na linguagem do jazz –, Santos Silva tem vindo a empreender sucessivas aproximações a universos tendencialmente não-idiomáticos (Lama) e agora vai mais longe do que alguma vez fora nos domínios da música improvisada.

Zetterberg é um dos mais relevantes contrabaixistas suecos, avultando o trabalho com o seu Hot Five e colaborações como as que vem mantendo com os saxofonistas Jonas Kullhammar, Alberto Pinton e Fredrik Nordström. Mas também ele tem encurtado distâncias em relação à improvisação pura, como é o caso da abordagem que exibe no excelente “Soulstorm” (Clean Feed, 2010), ao lado de Ivo Perelman e Daniel Levin.

Em “Almost Tomorrow” os dois músicos mostram como os glóbulos da experimentação lhes correm nas artérias. Aventurando-se em domínios novos, Santos Silva e Zetterberg desenvolvem uma comunicação íntima entre trompete e contrabaixo, ampliando sobremaneira os respetivos vocabulários, numa matriz claramente europeia.

Entregam-se mutuamente a jogos de exploração e descoberta das potencialidades criativas do formato (ainda assim não muito habitual) e dos seus próprios instrumentos, manipulando-os de forma pouco convencional (“Flocos de Mel”, “Head Distortion Machine”).

Instrumentista virtuoso, Zetterberg é exímio tanto no pizzicato como na utilização do arco. As interações assumem, por vezes, um lado melódico mais explícito, como atesta a serenidade que brota de “Nötskalsmusik #6”, “Cow Safari” e “Columbus Arrival in Här jedalen”

O trompete da portuguesa por vezes contrasta em rugosidade (“Knights of Storvålen”, “Falling and Falling and Falling”), mas vem sempre ao de cima a clareza da sonoridade, a definição das linhas e das texturas. Interessante notar a forma como a sua sonoridade se parece relacionar, a espaços, com a do trompetista sueco Magnus Broo.

Nesta primeira aventura em parceria, ambos os músicos logram um decisivo salto em frente, revelando maturidade e propósitos claros em alargar horizontes. Roguemos a Cronos para que o amanhã chegue depressa.
http://www.jazz.pt/ponto-escuta/2013/08/17/susana-santos-silva-torbjorn-zetterberg-almost-tomorrow-clean-feed/

Enola.be review by Guy Peters

Als je de gemiddelde kwaliteit van de Clean Feed-releases buiten beschouwing laat, valt nog altijd op hoe divers het aanbod van het label is. Het is niet enkel een thuishaven geworden voor een resem Amerikaanse muzikanten, maar biedt een dwarsdoorsnede van de avontuurlijke scène in Portugal en ver daarbuiten, tot in Scandinavië. Het is ook een label dat in verhouding veel meer releases uitbrengt van vrouwelijke artiesten dan veel vergelijkbare labels. Lag de focus vorige keer nog op Angelica Sanchez, Sara Serpa en Lotte Anker, dan zetten we die combinatie van een Amerikaanse, Portugese en niet-Portugese Europese muzikante nu verder met Kris Davis, Susana Santos Silva en Sophie Agnel.  

CF 268Kris Davis – Capricorn Climber (CF 268)
De verwantschappen tussen Sanchez en Davis zijn te opvallend om te negeren. Ze komen beide uit regio’s die je niet meteen met avant-garde jazz associeert (Arizona en… Canada), ze kregen beiden ongeveer een decennium geleden voet aan de grond in New York, ze hebben iets met saxofonist Tony Malaby (voor de ene is het een echtgenoot, voor de andere een van haar meest frequente speelpartners) en brengen hun recentste werk als (co-)leider uit via Clean Feed. Na twee albums met Paradoxical Frog, een trio met Ingrid Laubrock en Tyshawn Sorey, en de uitmuntende soloplaat Aeriol Piano (2011) is de kwintetplaat Capricorn Climber de zoveelste release van Davis bij de Portugezen.   De line-up leest als een who’s who van de New Yorkse scène, met Ingrid Laubrock (tenorsax), Mat Maneri (altviool), Trevor Dunn (bas) en Tom Rainey (drums). De muziek laat voortdurend horen hoe troebel de grens tussen compositie en improvisatie soms is, met stukken die niet alleen heel divers zijn – tussen het bedwelmend mooie “Bottom Of A Well” tot het Henneman-achtige pointillisme van opener “Too Tinkerbell” tot het jazzier “Pass The Magic Hat” –, maar vooral ook ruimte laten voor individuele schittermomenten. Zowat alle bandleden krijgen regelmatig een platform om hun subtiele kant te laten zien, net als hun vertrouwdheid met tricky timing, complexe melodieën en soms ongrijpbare structuren. Met z’n zestig minuten is Capricorn Climber wat minder behapbaar dan het compacte Aeriol Piano, maar het biedt voldoende gelegenheid om te proeven van Davis’ persoonlijke stijl.  

CF 272Sophie Agnel, John Edwards & Steve Noble – Meteo (CF 272)
De klassiek geschoolde Agnel is dan weer een nieuw gezicht op het label. Wordt ze doorgaans vooral opgemerkt in het bijzijn van continentaal-Europese figuren uit de vrije improvisatie (Axel Dörner, Jerôme Noetinger, Daunik Lazro, etc), dan laat deze knappe liveregistratie haar horen in het bijzijn van twee ronkende namen uit Engeland. Bassist John Edwards en drummer Steve Noble hebben een lange voorgeschiedenis en zijn zowel thuis in robuust heen-en-weer-gehamer en swingende grooves als in complex puzzelwerk. Hier starten ze aanvankelijk in hypnosemodus, met ruisende cimbalen en gestaagde ronkende bas die Agnels al even sterk tegen de drone leunende muziek ondersteunen. Haar handelsmerk – een voorliefde voor inside piano en attributen – komt ook meteen naar de voorgrond in een performance die aanvankelijk in het verlengde lijkt te gaan liggen van Eve Rissers mantra En Corps, maar al snel een geheel eigen smoel krijgt.   De drie maken een golvende improvisatiebeweging die weinig concrete aanknoopmogelijkheden biedt, maar je zou ook kunnen zeggen dat deze muziek toegankelijker is dan die van Kris Davis. Krijg je bij die laatste voortdurend te maken met composities die steeds een andere gedaante aannemen, steeds opnieuw verborgen hoeken en kantjes ontbloten, dan wordt je hier blootgesteld aan een beweging die zich afspeelt op een meer intuïtief niveau, die focust op de aard van het gebruikte materiaal en het klankonderzoek dat eruit voortvloeit. Met een ritmesectie zoals deze blijf je echter gespaard van rigide experimenten, want Edwards en Noble zijn meesters van de dynamiek, die moeiteloos meekunnen in het verhaal van kleine geluidjes, en dat soms ook doen met een kletterende potten- en pannenstijl, maar de boel ook levendig houden. Het enige dat er nog aan ontbreekt na die rit van bijna veertig minuten is het (weggeknipte) applaus.  

CF 275Lama + Chris Speed – Lamaçal (CF 275)
Het Lama Trio – trompettiste Susana Santos Silva, de in Nederland gevestigde bassist Gonçalo Almeida en drummer Greg Smith – maakte in 2011 al het knappe Oneiros, waarin moderne jazz, vrije improvisatie en elektronica een subtiel verbond aangingen. Net als die plaat start Lamaçal met elektronische effecten, al verdwijnt snel de vrees dat alles bedolven zal worden onder allerhande manipulaties, want het trio weet ook in naakte vorm indruk te maken. Met de Amerikaanse rietblazer Chris Speed (tenorsax/klarinet) erbij verbreedt het bereik zonder dat er een abrupte koerswijziging plaatsvindt. De muziek beweegt zich van meet af aan tussen statige, soms dromerige composities (“Overture For A Wandering Fish”) en materiaal dat een sterkere stuwing heeft en bonter gekleurd is (de titeltrack).   Het mooie is vooral hoe de vier de platgetreden paden weten te vermijden. Er wordt gespeeld met kleurrijke diereneffecten (“Moby Dick”), zonder dat het een auditieve dierentuin wordt, er wordt aangeleund tegen de pop (afsluiter “Manta” met z’n knappe baswerk) zonder dat het voorgekauwd spul wordt, en in stukken als “Cachalote” en “Pair Of Dice” wordt het allemaal wat bruisender, gaat het energieniveau omhoog, zonder dat het écht openbarst. En het is net die ingehouden spanning, dat suggereren zonder helemaal mee te gaan in die verwachtingen, dat van Lamaçal een album maakt dat steeds opnieuw weet te boeien en aan te spreken. Bovendien beschikt Santos Silva, die voortdurend in de weer is met klankverschuivingen en regelmatig overschakelt op de kloekere bugel, over een imposant bereik en klankkleur.
English translation:
The Lama Trio – trumpet player Susana Santos Silva, Rotterdam-based bass player Gonçalo Almeida and drummer Greg Smith – already came up with the excellent Oneiros (2011) in which modern jazz, free improvisation and subtle electronics forged a subtle union. Just like that record, Lamaçal starts off with electronic effects, but there’s no fear of being covered in loads of manipulations, as the trio convinces with naked purity as well. With American reed player Chris Speed on board, they broaden their reach without enforcing radical changes. The music sways from stately, sometimes dreamy compositions (“Overture For A Wandering Fish”) to material that introduces more force and color (title track).
It’s especially intriguing how these four succeed in avoiding the obvious. They play with colorful animal sound effects (“Moby Dick”), but don’t turn into an animal freakshow, they come close to pop territory (closer “Manta” with its delightful bass playing) while avoiding generic soft stuff, and in pieces like “Cachalote” and “Pair Of Dice”, is als gets more sprightly, as the energy levels go up without really exploding. It’s exactly this tension, those suggestions that rarely become explicit, that turn Lamaçal into an album that stays intriguing and fascinating. On top of that, Santos Silva, who’s constantly playing with subtle sound shifts and sometimes switches to the sturdier fluegelhorn, demonstrates an impressive reach and mastery over tonal variety.

CF 281Susana Santos Silva & Torbjörn Zetterberg – Almost Tomorrow (CF 281)
Het meer experimentele spelen met geluid dat de trompettiste al liet horen op Lamaçal krijgt een veel prominentere plaats op de duoplaat met de Zweedse bassist Torbjörn Zetterberg, die al een paar keer op het label te horen was aan de zijde van rietblazer Jonas Kullhammar. Deze release werd rond Nieuwjaar opgenomen in Zweden en draagt sporen van de besneeuwde winter. Niet enkel door het zwart/witte artwork en de foto’s van onder sneeuw bedolven landschappen, maar ook door het intimistische samenspel van de twee. Hoewel het duidelijk is dat de muzikanten hier en daar werken met gecomponeerd materiaal, zoals in de knappe titeltrack en “Nötskalsmusik”, waarvoor Santos Silva een bedwelmend mooi stuk laat horen op bugel, voelt het allemaal erg vrij en ongedwongen aan.   Een groot deel van het album zoekt het bij minder traditionele expressie. De trompettiste ademt, zuigt, ruist en slurpt op haar instrument, om later iets agressiever te werk te gaan, met abrupt gespetter. Zo is “Feet Machine Song” meteen wat radicaler dan de trance-achtige opener en belandt ze met “Head Distortion Machine” en “Falling And Falling And Falling” op het terrein van Nate Wooley, een universum waarin de manipulatie en het creëren van die kleine geluidjes uitvergroot worden en centraal komen te staan. Er komt veel gekraak, geruis en gegrom aan te pas, maar gedoseerd en van knap weerwerk voorzien door Zetterberg, die nergens de neiging heeft om het allemaal vol te stouwen. In “Columbus Arrival In Här Jedalen” heeft het zelfs iets van de even bezwerende als ongepolijste schoonheid die Okkyung Lee en Peter Evans ooit in elkaars bijzijn lieten horen. Lamaçal en Almost Tomorrow tonen alleszins meerdere gezichten en facetten van een van de boeiendste jonge trompettisten van het moment.
English translation:
The experimental sound effects that were already hinted at on Lamacal are given a much more prominent role on her duo album with Swedish bass player Torbjörn Zetterberg, who’s also a bit of a Clean Feed regular and appeared a few times besides reed player Jonas Kullhammar. This release was recorded around New Year’s Day in Sweden and betrays signs of a snowy winter. Not only because of the black/white artwork and the photos of landscapes covered with snow, but also because of the intimate interplay of these two artists. Even though they use composed material a few times, like in the terrific title track and “Nötskalsmusik”, on which Santos Silva plays the flueguelhorn in an intoxicating way, it all feels free and spontaneous.
A large part of the album switches to less traditional modes of expression. The trumpet player breathes, sucks, rustles and slurps on her instrument, turning to more aggressive techniques later on, with abrupt spattering. “Feet Machine Song” feels more radical than the trance-inducing opener and with “Head Distortion Machine” and “Falling And Falling And Falling”, she’s entering the kind of territory a player like Nate Wooley also delves into – a universe where manipulation and the creation of ‘little’ sounds become enlarged and central. There’s a lot of creaking, rustling and humming, but well dosed and contrasted nicely by Zetterberg, who luckily refrains from turning it into a bombastic exercise. In “Columbus Arrival In Här Jedalen”, they even reach a kind of magnificent and unpolished beauty that is somewhat reminiscent of what Okkyung Lee and Peter Evans once created. Lamaçal and Almost Tomorrow show multiple facets of one of the most interesting young trumpet players of today.
http://www.enola.be/muziek/albums/22294:de-vrouwen-van-clean-feed-2–kris-davis-sophie-agnel-a-susana-santos-silva

JazzWrap review by Stephan Moore

CF 281Susana Santos Silva & Torbjorn Zetterberg – Almost Tomorrow (CF 281)
The meeting between Santos Silva and Zetterberg is something I wouldn’t have even thought about a few months ago. But in listening to their recordings both with Svenka Kaput and Lama, the desire for experimentation should have seemed obvious.

So Almost Tomorrow is the perfect bridge between to the groups and excellent collaboration of two emerging talents in the European scene.

Santos’ playing is becoming more bold and creative with each release. She brings a rich spirit of ideas that for me, is reminiscent of Joe Mcphee. Zetterberg has been fearless on the bass; and is also growing in stature with each performance.

These ideas and brashness are played out on tunes like the “Columbus Arrival In Har jedalen.” With its interesting blend of blues-like tones and Portuguese flavouring, “Columbus…” is absorbing and adventurous to mind and ear.

“Almost Tomorrow” opens with a heavy solo from Zetterberg as Santos joins in the tune floats between folk and experimental with ease. Both musicians exerting strong and very well placed extend passages.

“Notskalmusik #6″ is possibly the most accessible piece on the album. A short but emotional ballad led mainly by Santos, with Zetterberg adding soft touches around the edges.

Almost Tomorrow is a beautiful session that may have come out of the blue but it’s perfect timing for all of us. A great steady, detailed listen and rewarding with every note. Highly Recommended.
http://jazzwrap.blogspot.pt/

Improjazz review by Luc Bouquet

KULLHAMMAR1 KULLHAMMAR2

Orkester Journalen review by Jörgen Östberg

JONAS KULLHAMMAR/ESPEN AALBERG/TORBJÖRN ZETTERBERG – Basement sessions vol. 1 (CF 246)
Betyg 4:••••

SNUS – Can’t stop snusing (Ayler records)
Betyg 3:•••
Saxofonisten Jonas Kullhammar är driftig som få. Han har ständigt nya projekt på gång, tycks det, och producerar sig på skiva i en omfattning som borde få David Murrays gillande. Som få  andra lyckas han förmedla den renaste spelglädje. Kullhammar vitaliserar onekligen vårt musikklimat. Men den stora produktionen innebär också att det stundom blir för mycket; man kan behöva en paus.   Efter en tids separation blir därför Kullhammars senaste cd – Basement sessions vol 1 (självklart räcker det inte med bara en volym!) – en daggfrisk uppenbarelse. Denna gång hörs han med en pianolös trio – Torbjörn Zetterberg bas, Espen Aalberg trummor – en sättning som kräver intensiv närvaro men som också kan verka befriande.   Huvudintrycket här är kalvar på grönbete, ett medryckande musicerande där musikerna lossar på tyglarna. Jonas Kullhammar spelar fantasifullt och med pondus – inte minst när han ägnar sig åt barytonsaxen och utnyttjar instrumentets hela register från bottenläget upp till flageoletterna.   Även på cdn Can’t stop snusing hörs en  pianolös trio: bas (Joel Grip), trummor (Didier Lasserre) och trumpet (Niklas Barnö).   Men den svensk-franska gruppen Snus töjer ytterligare på gränserna. Medan Kullhammars grupp verkar i gränslandet mellan det fria och det mer traditionella, och med tydliga kompositioner och tydlig puls, förefaller trumpettrions musik vara fritt improviserad (om nu något sådan verkligen existerar);  allt tycks vara tillkommet i stunden. Det gör väl Can’t stop snusing också mindre lättillgänglig.   Men skivan är spännande.   Bäst fungerar det, tycker jag, när det inte är fullt pådrag, utan de tre söker sig fram, ljudexperimenterar, när Lasserre lämnar slamret och när Grip har nära till stråken. Niklas Barnös är en uttrycksfull trumpetare med en personlig, nästan lite sluddrig diktion.   Heder åt Ayler records som ger ut denna musik.
http://www.orkesterjournalen.com/index.php?option=com_content&view=article&id=2349:jonas-kullhammarespen-aalbergtorbjoern-zetterberg-basement-sessions-vol-1–snus-cant-stop-snusing-&catid=16:pa-skiva-&Itemid=100296

Gapplegate Music review by Grego Edwards

Jonas Kullhammar/Torbjorn Zetterberg/Espen Aalberg – Basement Sessions Volume 1  (CF 246)
Creative modern improvised music has become a world phenomena. Anyone who listens to the total output in the genre in the last 20 years will be impressed, surely, with the development of players young and old who call the United States home, but the rest of the world is producing very good to excellent players in increasing numbers.   It’s of course been true of Europe for a long time. Today we look at a sax trio from Northern Europe, and what they did in a set titled Basement Sessions Volume 1 (Clean Feed 246). It’s Jonas Kullhammar, tenor and baritone, Torbjorn Zetterberg, double bass, and Espen Aalberg on drums.   Kullhammer has been making a name for himself in a series of recordings. He sounds especially primed on this one. He has sound and he does vertical invention with fluidity and soul. Perhaps the very lively collaboration of his rhythm team-mates inspired him to take things further. Zetterberg is a richly toned, very together player; Aalberg has drive and push on the drums.   It’s bluesy, modal, well-heated fare. The blowing vehicles are just right for the blowing that’s going on. It’s a very good showing from three very promising and together improvisers. It has roots but it blows over them with immediacy. So there you are!
http://gapplegatemusicreview.blogspot.pt/2012/07/jonas-kullhammar-torbjorn-zetterberg.html

Dig Jazz review by Peter Bornemar

Nytänkande i gamla banor. . Kolossalt effektivt och smittande. Kullhammar/Aalberg/Zetterberg-  The Basement Sessions vol.1 (CF 246)
****
Mest imposant har Jonas Kullhammar alltid varit när han klivit fram med de tyngre medlemmarna i saxofonfamiljen. Som när han spelat bassax med exempelvis The Torbjörn Zetterberg Hot Five, eller när han fått fläska på med sin barytonsax.   På albumet The Basement Sessions Vol.1 varvar han mellan just barytonsax och tenorsax i musik som har sina rötter i den hårdaste av hard bop, men där samtliga sex låtar är originalkompositioner av honom själv, basisten Torbjörn Zetterberg eller trumslagaren Espen Aalberg. Den sistnämnde ett ankare i den norska jazzgruppen The Core, samtidigt som alla tre musikerna känner och har spelat med varandra i en rad olika sammanhang.   Musiken på The Basement Sessions Vol.1 handlar om autenticitet, men är milslångt från att på något sätt vara museal. I inledande As Tajm Goes By borrar sig Kullhammars barytonsax rakt ned i traditionen, men bara för att med full kraft svänga den runt i ett flöde av toner som tillåter sig både grymta och kvida på ett sätt som snarare hör samtiden till. Det är kolossalt effektivt, och smittande.   Barytonsaxen kommer fram även i den återhållsamt smygande Den Stora Väntan, där Aalbergs trummor och Zetterbergs bas har lika bärande roller. I 7th Father, Pontiac och Shadow åkallar Kullhammars spel på tenorsax en fritänkande Sonny Rollins, samtidigt som Zetterberg och Aalberg ger musiken en suverän stuns med sitt följsamma spel.

The Basement Sessions Vol. 1 är ett strålande exempel på hur nytänkande i gamla banor går till.
http://www.digjazz.se/Diggat.html#Basement

The New York City Jazz Record review by Robert Iannapollo

Nacka Forum – Fee Fi Rum (Moserobie)
Zanussi Thirteen – Live (Moserobie)
Kullhammar/Zetterberg/Aalberg – Basement Sessions, Vol. 1 (CF 246)
With his first album Salut (2000), recorded with his quartet, Swedish saxophonist Jonas Kullhammar came seemingly from out of nowhere to make a major impact on the Swedish jazz scene. Released on his Moserobie label, Kullhammar soon established the label as an operation documenting similar-minded players on the Swedish jazz scene (trumpeter Magnus Broo, singer Lina Nyberg, et. al.). Kullhammar’s quartet has been the mainstay of the label and in 2010 celebrated its tenth anniversary with the release of a superb eight-CD boxed set.

Nacka Forum is one of Kullhammar’s alternate bands. A piano-less quartet, it features Goran Kajfeš (cornet, trumpet, electronics), Johan Berthling (bass) and Kjell Nordeson (drums and vibes). In addition to tenor, Kullhammar appears on baritone and bass saxes, piccolo, clarinet and mini-moog. A little more diverse than his standard quartet’s modus operandi of rousing freebop, there’s still a healthy dose of that on Fee Fi Rum as well as the musical wit for which Kullhammar is noted. Several of the pieces are ostinato-based and handled with a plomb. These ostinatos never get tedious due to Nordeson’s expansive, fluid drums, always keeping the rhythm interesting. Kajfeš’ spiky cornet seeks out weird trajectories and he intertwines nicely with Kullhammar’s reeds when they are playing in tandem, with the cornet/baritone sax combination particularly effective. While much of this is strong, energetic contemporary jazz, when they slow down for a ballad ( “Jimmy”) or a group textural exploration, the contrast is effective. Also mention must be made of the surprising use of timpani on “Borkum Riff”. Although Kullhammar’s freebop-based quartet has the cachet, Nacka Forum at its best sometimes eclipses Kullhammar’s main group.

Zanussi Five is one of Moserobie’s more popular groups, with three albums to their credit. Usually a quintet (three saxophones plus bass and drums) helmed by bassist Per Zanussi, for Live he adds a trombonist, guitarist, extra drummer and five more saxophonists (Kullhammar among them). With this expanded line up, the group becomes a wild, braying beast with beautiful massed choruses, screaming boisterous passages, plenty of creative soloing and more. When he is audible, guitarist Stian Westerhus adds an unexpected, edgy electronic tension, particularly effective when the saxophonists are going at it full-tilt. The compositions showcase the larger ensemble well. Several are rearranged from earlier releases (Ghibli, Body And Zeuhl, Zoanthropy 2) and an arrangement of Ornette ‘s “Street Woman” is one of the more unique handlings of the Coleman composition. Special mention has to be made of drummers Gerd Nilssen and Per Oddvar Johansen, who push this lumbering beast of a group to staggering heights. To his credit, Kullhammar works within the ensemble and is not the star of the set. The real star is the full 13-piece ensemble.

Kullhammar the improviser is heard at length on Basement Sessions, Vol. 1, recorded with bassist Torbjorn Zetterberg (a charter member of Kullhammar’s main quartet) and drummer Espen Aalberg. One gets the impression that Kullhammar just likes to blow and there’s always a joyful cadence to his playing. He seems to relish challenging himself and playing away from his main group is one way to get refreshed. On this disc, the absence of a pianist frees him up for more stratospheric flights, especially on the opener “As Tajm Goes By”. But for all the energy expended on the uptempo blowouts that dominate the disc, perhaps the best track is “Den Stora Vantan”, a baritone exploration, taken at a funereal pace. Kullhammar seems to wrench every sound he can from the instrument during the track’s nine minutes. The album’s skeletal themes allow for plenty of open space and seem to inspire the entire trio, making for a satisfying listen.

Music and More review by Tim Niland

Kullhammar/Aalberg/Zetterberg – Basement Sessions Vol. 1 (CF 246)
In the notes on the Clean Feed Records web site, they are almost apologetic about this album, likening it to a refugee from the “hard bop museum.” I think they doth protest too much, because this is an excellent album of crackling modern jazz that does nod to Rollins and Coltrane, but makes no bones about going its own way in a thoroughly modern fashion. The band is a collective of Jonas Kullhammar on saxophones, Espen Aalberg on drums and Torbjurn Zetterberg on bass. The opening “As Tajm Goes By” sets the tone for the remainder of the album with a fast uptempo trio improvisation bookending an open bass and percussion feature. The rubber really meets the road on ”7th Father” where the band takes off at a very fast clip, featuring Kullhammar great saxophone (tenor or baritone?) and using overblown accents to ramp up the excitement. The whole trio is playing like gangbusters on this one, strong freebop anchored by great drumming. Slow bass and almost surreal saxophone playing open ”Den Stora Vantan” with low blowing down deep giving the music an ominous feel of a late night foghorn cutting across a lonely sea, giving way to deep peals of anguished saxophone, making for a true dark night of the soul. With that excoriating performance out of their system, ”Pontiac” develops as a three way stylish modern jazz improvisation. Kullhammar builds tension with a repetitive figure before breaking into a powerful solo. This is well controlled and articulated jazz with a great rhythmic base from the bass and drums. Aalberg takes a brief drum solo to open ”Shadow” making way for strong bass and saxophone with a piercing tone. The trio networks well at fast tempos as Kullhammar breaks free for an exciting statement. The passion builds as he takes his solo into the upper reaches of the saxophone and spreads the wealth for a nice bass and drums feature.
http://jazzandblues.blogspot.pt/