Daily Archives: March 6, 2014

Draai om je oren review by Guy Peters

CF 251Trespass Trio – Bruder Beda (CF 251)
In navolging van debuutplaat ‘…Was There To Illuminate The Night Sky…’, nog altijd een van mijn favoriete jazzalbums van de voorbije jaren, werd ook de tweede plaat van dit Trespass Trio een knetterende brok intensiteit, al ligt die wat minder aan de oppervlakte.

De Zweedse rietblazer Martin Küchen is dan ook een artiest die met beide benen op de grond staat, die nog altijd een band tussen kunst en engagement in stand houdt, en in de meest uiteenlopende contexten een eigen stempel weet te drukken. Of het nu gaat om solowerk als The Lie And The Orphanage, de bruisende ensembleplaten van Angles, de schraap- en ritselimprovisatie van Chip Shop Music of dit Trespass Trio: weinig artiesten leggen zo’n passie aan de dag en slagen er in om te spelen met zo’n emotionaliteit als Küchen, wiens hyperexpressieve stijl en sound in staat zijn om zowel uitbundige levenskracht als pijnlijk verdriet uit te schreeuwen. Altijd gedacht dat moderne jazz iets was voor koude intellectuelen die muziek maken aan de hand van statistieken en wiskundige formules? Trespass Trio laat horen dat het ook anders kan.

Samen met bassist Per Zanussi en drummer/percussionist Raymond Strid heeft Küchen opnieuw een album gemaakt dat aanvoelt als een grote raamvertelling die een complete luisterbeurt afdwingt. En deze keer zit er ook een verhaal achter: dat van WOI-veteraan Ernst Gerson, die een geestelijke roeping volgde als Bruder Beda en daarna opnieuw de seculiere levensdraad oppikte, maar door zijn Joodse roots in de problemen kwam en uiteindelijk naar de kampen verbannen werd. De Joodse geschiedenis en Palestijnse kwestie zijn al langer stokpaarden van de bewogen saxofonist, dus het mag niet verwonderen dat hij ook een dergelijk verhaal vorm geeft binnen een freejazzcontext.

Zowel op de alt- als de baritonsax dwingt Küchen meteen ontzag af, met een rauwe sound van een soms verscheurende intensiteit. De haast kwakende altsax maakt vanaf de eerste seconde van ‘Ein Krieg In Einem Kind’ duidelijk dat er een bijzonder verhaal verteld gaat worden. Een schreeuwerige oplawaai zoals ‘Zanussi Times’ of ‘Strid Comes’ is er deze keer niet bij, maar Küchen heeft die in-your-face agressie niet nodig om je als luisteraar bij de lurven te grijpen. Ook hier zorgt die jankende, zeurende en fulminerende gedrevenheid weer voor een meeslepend parcours, terwijl ook de ritmesectie volop ruimte krijgt voor zowel conventionele ondersteuning en soloruimte als introverte klankexperimenten.

Dit soort jazz, die resoluut vanuit de onderbuik vertrekt, kan soms wat vergen van de luisteraar, zeker als die een houvast nodig heeft, maar voor elk weerbarstig stuk als de opener, krijg je ook een tegenhanger als ‘Don’t Ruin Me’, dat negen minuten lang op gang gehouden wordt door een statige, licht exotische baslijn, terwijl Strid de vellen bespeelt met de handen en Küchen op de bariton kiest voor een eenvoudiger invulling. Er wordt ruimte gemaakt voor een contemplatieve bassolo, wat de terugkeer van Küchen achteraf dubbel zo intens maakt. De hevigheid gaat echter nog omhoog in ‘Bruder Beda Ist Nicht Mehr’, dat vanuit dramatisch gestreken bas werkt aan een steeds sterker wentelend cyclisch patroon, met nadrukkelijke passie, volumetoename en steeds woeliger ondergrond met een sax die met steeds meer uitschieters het zootje in stukken trekt.

Sleutelstuk is ‘Today’s Better Than Tomorrow’, een compositie van Küchen die gedragen wordt door een melodie die woeste tristesse uitstraalt, maar ook aanleiding kan zijn tot andere omkadering. Zorgde het stuk bij Angles voor een emotionele oplawaai van formaat, dan gebeurt het hier subtieler, met een tussenstuk dat door Zanussi en Strid op fluisterniveau uitgewerkt wordt, en een finale die zachtaardiger paden verkent. Beluister dit echter in ideale omstandigheden – geconcentreerd en mét koptelefoon – en het is onmogelijk om niet opgeslorpt te worden door die muzikale poëzie, die een contrasterend vervolg krijgt in het gespierde ‘A Different Koko’, een korte brok freejazz die danst met een robuuste aanstekelijkheid.

‘Bruder Beda’ is een beklijvend album, dat ondanks verfijning en nuances opvalt door zijn groot kloppend hard en een onaflatende begeestering. “What can we achieve with strings, reeds, skins and sticks? Except for being ignorant music makers, what are we?” Dat vroeg Küchen zich af in de liner notes van de vorige plaat. Een mogelijke reactie, het vertellen van een prachtig verhaal als daad van verzet, ventileren van agitatie en zoeken naar berusting, is hier terug te vinden.
http://draaiomjeoren.blogspot.nl/2014/02/cd-trespass-trio-bruder-beda-clean-feed_16.html

Advertisements

Point of Departure review by Troy Collins

CF 288Elliott Sharp Aggregat –  Quintet (CF 288)
When Clean Feed Records released renowned multi-instrumentalist and composer Elliott Sharp’s Aggregat in 2012, it was met with a round of bemused, albeit enthusiastic reviews. After all, it was the first session to be issued featuring Sharp’s reed playing as prominently as his distinctively amplified fretwork. For years Sharp has augmented his six-string extrapolations with brief detours on soprano saxophone or bass clarinet and occasionally, tenor saxophone, but rarely for entire tunes – let alone albums. Supported by the intrepid rhythm section of bassist Brad Jones and drummer Ches Smith, Sharp was able to convincingly transpose his cyber-punk inflected themes into a primarily acoustic format.

That project led to a new incarnation; bolstered by an expanded lineup, Quintet ups the ante considerably over the previous trio effort. Joined by trumpet phenomenon Nate Wooley and rising trombonist Terry Green, Sharp forgoes his trusty axe altogether, sticking to his trio of horns exclusively throughout this unamplified set. Wooley’s bold use of extended techniques and Green’s highly expressive vocalizations are a perfect match for Sharp’s own vanguard aesthetic; although Sonny Rollins’ muscular lyricism is an obvious influence on the leader’s bristling tenor runs, the tonal manipulations of visionary saxophonists like Steve Lacy and Archie Shepp are even more prominent in his wheelhouse.

Recorded in Bryce Goggin’s studio, the room’s natural reverb and the fact that each composition ranges from a concise two to eight minutes in length lends a sense of sonic cohesiveness to the proceedings, despite the diversity of Sharp’s methodology. “Anabatics” embodies the sort of skirling contours and vertiginous intervals commonly associated with Sharp’s thorny writing, yet the sprightly free-bop opener “Magnetar” evokes Ornette Coleman’s early Atlantic sides, as the three horn frontline deftly navigates the rhythm section’s briskly modulating tempo shifts. The cinematic travelogue “Arc of Venus” showcases an even subtler side of the quintet, its exotic soundscape colored by ghostly muted horns and dramatic mallet work, while the aleatoric impressionism at the center of “Lacus Temporis” is not immediately identifiable as part of Sharp’s oeuvre at all. Nonetheless, such excursions provide an aural respite from more turbulent fare, with Sharp’s young sidemen offering consistently stellar contributions at every turn.

Green proves a most enthralling player, with un-tempered growls, slurs and smears bolstering his vociferous phrases, but it’s Wooley who nearly steals the show. As one of the most inventive and imposing young trumpet players performing today, Wooley’s technical innovations extend Bill Dixon’s legacy, expanding the timbral range of the horn into previously unheard realms of nuance and texture. Attentive to the material at hand, Wooley customizes his tonal approach to dynamically suit each work, plying barely audible metallic cries throughout the spectral meditation “Cherenkov Light” and unleashing well-timed blasts of coruscating white noise on the oblique swinger “Katabatics,” perfectly complementing each piece in turn.

Sharp easily holds his own in the company of these spirited young Turks, matching their unfettered discourse with an experienced fervency that manifests in an expressionistic array of multiphonic split-tones, sustained altissimo refrains and sinuous pitch bends. Emboldened by a collaborative mindset emblematic of the group’s name, Quintet is Sharp’s most conventionally jazz-oriented – and thereby intriguing – album to date.
http://www.pointofdeparture.org/PoD46/PoD46MoreMoments5.html